Een korte terugblik op school (beloofd, in een simpele en snelle versie).
In de wiskunde geldt een zeer duidelijke regel:
We beginnen altijd met vermenigvuldigingen en delingen (van links naar rechts).
Pas daarna voeren we de optellingen en aftrekkingen uit (altijd van links naar rechts).
Haakjes hebben voorrang, maar hier… ontbreken ze.
Laten we rustig opnieuw beginnen.
De uitdrukking is:
2 + 2 + 2 + 2 + 2 ÷ 2 + 2
De enige deling is 2 ÷ 2.
We berekenen het eerst:
2 ÷ 2 = 1
We substitueren in de bewerking:
2 + 2 + 2 + 2 + 1 + 2
Vervolgens voeren we de optellingen in de volgende volgorde uit:
2 + 2 = 4
4 + 2 = 6
6 + 2 = 8
8 + 1 = 9
9 + 2 = 11
Het juiste antwoord is dus 11.
Simpel? Jazeker. Vanzelfsprekend? Niet echt.