De realiteit veranderde.
Mara besefte dat ze met een onafgemaakt verhaal had geleefd, dat ze zichzelf had beschermd tegen pijn die allang voorbij had kunnen zijn. Woede maakte plaats voor verdriet. Verdriet vermengde zich met schuldgevoel. Ze ging zitten en schreef een antwoord – niet om te versturen, maar om het los te laten. Ze schreef alles op wat ze jarenlang had opgekropt: woede, verdriet, vergeving. Toen ze klaar was, waren haar handen eindelijk tot rust gekomen.
Die avond ging Mara naar de begrafenis.
Ze zat niet vooraan. Ze trok geen aandacht. Ze stond rustig achterin en keek toe hoe een leven in de grond zakte, samen met woorden die te laat kwamen. Er was geen confrontatie, geen dramatische verzoening – alleen berusting.
Toen ze wegging, streek een koele bries langs haar wang als een zacht afscheid.
En voor het eerst in vijftien jaar stond Mara zichzelf toe te huilen – niet om verraad, maar om begrip. Niet om wat verloren was gegaan, maar om wat eindelijk kon worden afgewikkeld.