Je glimlacht, beleefd en beheerst.
‘Zeg tegen ze,’ zeg je, ‘dat ze van de champagne moeten genieten.’
Een nerveus lachje klinkt door de zaal.
Iemand begint aarzelend te applaudisseren.
En toen nog een.
Dan zwelt het applaus aan, rommelig en verward, alsof mensen proberen te herschrijven wat ze net hebben gezien.
Je accepteert het niet.
Je loopt gewoon door de kamer, je hakken tikken op de grond, de smaragden koel in je handpalm, en je gaat naar boven.
Niet omdat je aan het hardlopen bent.
Omdat je klaar bent met optreden.
Later, als het huis eindelijk stil is, sta je alleen in je slaapkamer.
Je trekt de jurk aan die Laurent eerder uit je handen rukte en strijkt de stof glad alsof je je eigen waardigheid weer op orde probeert te brengen.
Je kijkt naar jezelf in de spiegel.
Niet het dienstmeisje.
Niet de vrouw.
De vrouw.
Je telefoon licht op met een bericht van Henri.
« De pers heeft om commentaar gevraagd. Zullen we de aankondiging vanavond publiceren? »
Je staart naar de woorden.
Je denkt aan Laurents gezicht toen hij de waarheid besefte.
Je denkt aan de vernedering die je voor de liefde hebt moeten doorstaan.
En dan besef je dat het verhaal niet om geld draait.
Het gaat om grenzen.
Je typt één woord terug.
« Ja. »
Beneden, ergens in Parijs, blijft de stad schitteren zoals altijd.
Maar voor het eerst in lange tijd heb je het gevoel dat de glitter je niet uitlacht.
Het weerspiegelt jou.
HET EINDE